Masterclass Hans Gijsen: het gaat om de elasticiteit

Maandagavond 9 maart werd een 25-tal trainers naar Breda getrokken voor een pittig technische uiteenzetting over het effect van verschillende krachten op het schaatsijzer door Hans Gijsen, materiaaltechnoloog.

Het eerste wat Gijsen uit de weg wilde ruimen, was het idee dat sterke ijzers minder te buigen zijn dan zwakke ijzers. Het gaat namelijk om de elasticiteit van het staal. Komt de schaats op het ijs, dan vervormt de ronding. Haal je de schaats weer van het ijs, dan komt de oorspronkelijke ronding weer terug. Dat is wat je elasticiteit noemt. En die is bij sterk en zwak staal allemaal hetzelfde.

Buig je je schaats verder dan de elasticiteit aan kan, bijvoorbeeld door een scheur op natuurlijs, dan pas zal de mate van sterkte van het staal bepalen op welk moment je ijzer nog verder zal doorbuigen dan wel zal breken.

In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is het Viking-ijzer iets stugger dan dat van Maple, vooral in axiale richting. De flexibiliteit wordt bepaald door de vorm en de afmetingen (hoogte) van het totale profiel, mes + buis. Een flexibeler ijzer (zo is een hoge Marchese nog flexibeler) geeft zoveel tegenkracht in de bocht, dat je de reactie van de schaats voelt.

Twee dingen die belangrijk zijn voor het uiteindelijke effect op je ijzer:

  1. Waar zit het LZP van de schaatser: in het midden buigt het ijzer extreem door, dan wordt het ijzer dus vlakker. Komt het LZP meer boven de steunpunten, dan blijft de ronding meer intact.
  2. Krachtvector gaat altijd vanuit het LZP naar het raakpunt met het ijs: door de radiale kracht, die door de hoogte-hartlijn van het schaatsblad gaat word je ronding vlakker, maar door de axiale kracht, die ontstaat als je afzetkracht niet zuiver door de hoogte-hartlijn van het schaatsblad gaat, ontstaat er een bending.

De resulterende radius is dus een combinatie van de veranderende ronding en de resulterende bending. De ronding en bending die je in je schaatsen laat maken, blijven dus nooit de waarden houden op het ijs. Zo liet Gijsen in een voorbeeld zien dat de 23m ronding van Michel Mulder in een bocht, mede door de pronatie van zijn enkel, maar liefst opliep tot een ronding van 16,4m! Zie, voor NSTV-leden, de PDF met dit voorbeeld van Michel Mulder achter de login in de kennisbank.

Jongeren kunnen in principe beter een kleinere ronding hebben. Heb je iemand als Sven Kramer met acht slagen op het rechte eind, dan komt dat op 12,5m per slag. Jongeren zullen een kortere slag hebben en redden die acht slagen niet. Die kunnen daarom beter beter op een kleinere ronding De rondingen van hun S-curve zijn ook kleiner. Echter, bij kinderen komt er ook veel minder kracht op het ijzer, waardoor de ronding ook veel minder vlak wordt bij de radiale kracht op het ijzer. Daarom kunnen zij dus uiteindelijk vaak met dezelfde ronding overweg als hun grotere en krachtigere voorbeelden.

Kortom, als je je schaats goed recht maakt, dan krijg hij eigenlijk al een natuurlijke bending die je zelf veroorzaakt. Wat heel belangrijk is, gaf Gijsen als tip mee, is dat schaatsers een archiefje voor zichzelf bijhouden: welke ronding, hoe recht, welke bending en vooral blijven meten! Als je dan een keer valt of je denkt dat er iets is met je schaatsen, dan kun je effectief controleren of er iets met je materiaal is of juist uitsluiten.

Al met al een top-avond met genoeg stof tot nadenken en het bekijken en meten van de eigen ijzers. Voor herhaling vatbaar. Bedankt, Hans!

IMG_6863

Reacties zijn gesloten.